woensdag 4 maart 2009

yp17.Als je dat doet, wordt hij echt zo


Het was dinsdagavond en dus weer tijd voor mijn wekelijkse tekenles. Aangezien het de eerste dinsdag na de vakantie was, waren er maar weinig mensen. Tekenleraar Piet vermoedde althans dat dit de reden was. ‘Want na de kerstvakantie was het ook zo.’ Het echtpaar René en Coby waren er wel. Beiden stonden geconcentreerd over hun doeken gebogen. Coby een klein vrouwtje van hooguit 1 meter vijftig werkte aan een klein zelfportret. Ze werkte vanaf een foto die dertig jaar geleden was genomen. Haar man René, een grote beer-achtige verschijning, smeerde dikke lagen verf op een groot doek dat bij zijn lichaamvolume paste. Soms vroeg hij dingen als: ’Hoe maak je ook alweer bruin.’ Wat hij precies aan het schilderen was, kon ik niet helemaal thuis brengen. ‘Ik ben gewoon begonnen met wat vlakken en toen ontdekte ik ineens een hond in dat lijnen patroon.’
Ik kon er geen hond in herkennen, maar dat maakte ook niet uit want zelfs René was niet van plan dat doek ooit aan de muur te hangen. ‘Ik maak het voor de open haart’, voegde hij er lachend aan toe. Natuurlijk is het zo dat schilderen als een meditatieve bezigheid ervaren kan worden. Toch leek het me zonde om maanden achtereen aan iets te werken om het vervolgens te verbranden. Verder was alleen Marieke er nog. Ze had haar doek plat op tafel gelegd. Ik weet nog hoe ze de vorige keer de lijntjes met houtskool op een met de kopieermachine uitvergrootte tekening op het doek had doorgedrukt. Een soort carbonpapier methode dus.
Ze was voorlopig alleen nog maar begonnen de lucht blauw te verven. ‘Ik heb het voorbeeld plaatje thuis laten liggen, dus houdt ik het vandaag maar op de lucht.‘ Ondertussen begon de mannenavond in de kantine naast ons lokaal alweer aardig op stoom te komen. Stiekem verlangde ik ernaar mij bij hen te voegen en het op een zuipen te zetten. Maar ik hield me in, ik kon het tens lotte niet maken zomaar bij mijn les weg te lopen. Piet stelde voor dat ik een Ikea kast met vakjes na zou tekenen dat in de hoek van het lokaal stond. Terwijl ik daar zo mee bezig was vroeg ik aan Marieke hoe zij in Ypenburg terecht was gekomen. ‘ Ik ben hier samen gaan wonen met m’n vriend, we hebben allebei in Leiden gestudeerd en ik kreeg een baan bij het archief van justitie hier in Ypenburg, mijn vriend werkt bij de KPN op het Binckhorst terrein dus dit was de beste woonlocatie.’
Een half uur na de aanvangstijd van de tekenles kwam er ineens nog iemand binnen, een Indiase vrouw. Hindustaans Surinaams, bleek achteraf. Ze woonde met haar zoontje in een van de woonblokken in het centrum van Ypenburg. Ik vroeg haar tot welke kaste ze behoorde, niet dat ik daar waarde aan hecht, maar het leek me interessant. Het bleek om de hoogste kaste van de Brahmanen te gaan.
‘Dat is wel oké dus.’
‘Nou ja, ze zijn heel heerszuchtig. Altijd maar beter willen zijn dan anderen.’
‘Dat sluit dus eigenlijk wonderwel aan bij de waarden van de westerse samenleving.’
, opperde ik.
‘Misschien heb je gelijk, maar ik ben vrouw en dan heb je alsnog niks in te brengen, ook niet bij de Brahmanen.’
Zij was ook met een perspectieftekening bezig, maar haar onderwerp René met z’n (schildersezel) stond niet stil. Ineens stond er een lange kale kerel dreigend in de deuropening. Hij nam een slok uit een flesje bier. ‘Joh, wat een gaaf schildereih’
zei hij in onvervalst Hagenees. Hij droeg een bomberjack en had een angstaanjagend uiterlijk. Hij miste een oog. Beter gezegd; hij had nog wel een oog maar er zat geen pupil meer in. Hij hoorde bij het clubje mannen in de kantine en vertelde dat hij in het voorbijgaan getroffen was door het schilderij van René en dat hij het wel wilde hebben. Toen René zei dat het wat hem betreft mocht omdat hij het toch van plan was weg te gooien, was de deal snel gesloten. ‘Ik vind dat wel mooi zulke abstracte schilderijen, het is een hond toch?’
Ik keek verbaasd op omdat ik dacht dat de voormalige schilderswijker een grapje maakte. Hij was bloed serieus. 'Die gast zag mij met m'n bierbuik en m'n vuile trainingsbroek en dacht natuurlijk, dat is er een van ons', zei Rene toen de man uit
de deuropening was verdwenen.
Ondertussen had mijn buurvrouw voor de grap twee vleugeltjes getekend aan de brede schouders van René, het waren vleermuisvleugels. Ik tekende twee hoorntjes op zijn hoofd, die de Brahmaanse echter snel weer uitveegde. ‘Nee niet doen, als je dat doet dan wordt hij echt zo.’