Ik heb getwijfeld over champagne vandaag. Het kan zo feestelijk zijn, maar ik wil ook weer niet als al te losbandig overkomen. Er is brood en er zijn gluttenvrije crackers voor de zekerheid. Koffie heb ik reeds in een thermoskan gedaan. Met koffie kan je de wereld aan. Misschien zelfs kanker, al heb ik daar geen harde bewijzen voor. De deurbel gaat, mijn hart maakt een sprongetje. Ik overzie nog even de gedekte tafel. Het servetje ligt strak gevouwen naast het porseleinen bord. De kazen uitgestald. Mijn hand gaat even langs de speciale stoel met leren riempjes aan de leuning en de poten. Die komt uit een oud gesticht en was bedoeld om wild geworden patiƫnten mee vast te binden. Dan doe ik open. Daar staat hij, de afgevaardigde van God. Hij heeft geen collectebus maar een i-pad bij zich. Ook collectanten gaan mee met hun tijd. Het is een lange magere jongen. Iets te bleek.
‘Ik heb op je gewacht,’ zegt ik, ‘kom binnen, kom binnen, heb je al koffie gehad?’ Als de jongen is gepasseerd, doe ik onopvallend de deur op slot. De collectant blijft nooit lang, hij moet door naar het volgende adres. Dat is zijn plichtsgevoel, maar vandaag ga ik de collectant verwennen.
Vrolijk wereld kankerdag